Sinterklaasfeest op de terroristenafdeling van de penitentiaire inrichting in Vught. De gedetineerde vrouwen – dat waren zo’n tien jaar geleden nog voornamelijk vrouwen die waren afgereisd naar het kalifaat van Islamitische Staat in Syrië, of daarvoor hadden geronseld – knutselen met hun kinderen en de afdelingspsychologen mutsen van papier, maken tekeningen van Sint en Piet en eten pepernoten. Op de mannenafdeling in Vught – waar óók voornamelijk Syriëgangers, ronselaars en mannen zitten die een terroristische aanslag hadden voorbereid – hebben gedetineerden hun schoen gezet.
„We hadden een beetje grappend gezegd: jongens, doe het nou, je zult zien dat Sinterklaas langskomt”, zegt Gaby Thijssen, die tot twee jaar geleden als psycholoog in de PI Vught werkte, nu, tien jaar later. De schoenen stonden op een rijtje in de gang, de volgende dag zat er bij elk een zak snoep in. „Dan kun je denken: wat is dit voor iets stoms”, zegt Thijssen. „Maar een jaar later hadden ze het nog altijd over die schoenen, over Sinterklaas en die snoepzak. Terwijl ze zich tegen dat feest verzetten – te Nederlands.”
Afgelopen september promoveerde Thijssen op de psychologische behandeling van extremisme op Nederlandse terrorismeafdelingen. „Zoiets doet wat met hun beeld van Nederland. En dat van ons behandelaren. Ze gaan denken: je bent niet alleen mijn psycholoog, je bent eigenlijk ook best aardig.”
In Vught en Rotterdam, waar in totaal plaats is voor zestig mannen, en in Zwolle, waar ruimte is voor tien vrouwen, zitten nu bijna geen Syriëgangers meer vast. „Alleen nog enkele vrouwen”, zeggen de programmamanager extremisme en terrorisme en een psycholoog van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) die NRC voor dit artikel sprak; ze willen anoniem blijven uit veiligheidsoverwegingen. Hoeveel mensen er precies vastzitten op de terrorismeafdelingen, wil de DJI niet zeggen. In ieder geval is nog altijd een meerderheid jihadist.
In het meest recente dreigingsbeeld van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) staat dat een paar jihadisten, gedetineerden met een „hoog risicoprofiel”, vanaf 2027 zullen vrijkomen – de celstraf die ze kregen, hebben ze dan uitgezeten. Die vrijlatingen kunnen de terroristische dreiging in Nederland in de komende jaren verhogen, schrijft de NCTV.
Wat dat kan betekenen werd deze week duidelijk in Berlijn, waar een geradicaliseerde 21-jarige met een auto inreed op bezoekers van de Pride. De Duitse autoriteiten noemen het „een islamistische terreuraanslag”. Dat de verdachte, Abdul B., gevaarlijk was, wist de politie al enkele jaren: hij werd eerder veroordeeld omdat hij geprobeerd had zich aan te sluiten bij IS, maar zijn resterende celstraf van 22 maanden werd in mei opgeschort op voorwaarde dat hij vanaf dan een deradicaliseringstraject zou volgen.
Dit soort trajecten buíten detentie bestaan in Nederland ook, zegt Gaby Thijssen. Geradicaliseerden moeten naar afspraken met een psycholoog en theoloog, bijvoorbeeld, en worden in de gaten gehouden door de veiligheidsdiensten. Maar het is vaak moeilijk om in te schatten hoe gevaarlijk een terrorismeverdachte of -veroordeelde écht is. „Ze geven vaak sociaal wenselijke antwoorden. Ze weten dat het slim is om te zeggen dat ‘iedereen mag doen wat ‘ie wil’, als ze gevraagd worden naar homoseksualiteit”, zegt Thijssen.
Wat werkt en wat niet bij de behandeling van geradicaliseerden in de gevangenis? Hoe waren de Syriëgangers en jihadisten eraan toe toen ze uit de gevangenis kwamen? En zijn er ook jihadisten bij wie psychologische behandeling níét werkt?
Wc-papier en ziektes in het kalifaat
Gaby Thijssen herinnert zich de eerste terrorismeveroordeelden die ze in haar werk tegenkwam: jonge jongens die rond 2015 terechtstonden voor de werving van Syriëgangers en de hulp die ze hun boden bij hun reis. Ze kwamen vast te zitten op de terroristenafdeling in de PI Vught. „Het waren andere gevangenen dan ik gewend was,” zegt Thijssen. „Intelligent, sociaal.”
Ze gingen in discussie met de behandelaren, omdat ze vonden dat ze gediscrimineerd werden op basis van hun afkomst of geloof, ze begonnen een honger- en dorststaking, gingen rellen tegen het gevangenispersoneel. „Ze kwamen mét elkaar in opstand, iets wat we in de rest van het gevangeniswezen in Nederland niet echt kenden. Gewoonlijk is het iedere gevangene voor zich en God voor ons allen. Ze zeiden steeds: jullie begrijpen ons niet, en daar hadden ze gelijk in.” Thijssen besloot wetenschappelijk onderzoek te doen naar deze groep gedetineerden en analyseerde 82 gevangenen die tussen 2014 en 2020 op de terrorismeafdeling in Vught zaten.
Het eerste wat haar opviel: een diep wantrouwen bij de gedetineerden. „Ze zijn allemaal vriendelijk en netjes, maar een deel vertrouwt je niet écht”, zegt de DJI-psycholoog die werkt op de terrorismeafdeling van De Schie in Rotterdam. „Je merkt langzamerhand dat iemand niet echt dingen met je deelt, of maar een deel van het verhaal vertelt. Het helpt niet als je zegt: ik heb een beroepscode, wat je me vertelt blijft tussen ons.” Gaby Thijssen: „Gedetineerden vonden mij sowieso niet oké. Ze zagen me als de overheid, dan ben je per definitie de vijand.”
Het eerste doel was om dat vijandsbeeld te veranderen. Hoe doe je dat, als je de belichaming van die staat bent? Aardig zijn, zegt Thijssen, kleine attenties. Ze met hun vrouw laten bellen als ze het moeilijk hebben, aankloppen na een moeilijk gesprek met de Kinderbescherming of een boek bestellen dat ze graag willen lezen. Thijssen maakte een boekenlijst voor de gedetineerden: The Choice van Edith Egger, De Meeste Mensen Deugen van Rutger Bregman, 1984 van George Orwell. Maar, zegt ze, „je moet ze niet álles geven wat ze willen, het gaat erom dat je iets doet wat ze niet verwachten. Een soort cognitief schrikeffect. Dát is waarmee je langzaam probeert gedachten te veranderen, zodat deze mensen niet meer willen overgaan tot geweld.”
En soms gaat het meer vanzelf, zag Gaby Thijssen. Dan kwamen er jongens op de afdeling die daadwerkelijk naar Syrië waren afgereisd en teruggekeerd, die de anderen vertelden over wat ze in het kalifaat aantroffen. „Ziektes, geen wc-papier, honger, geen sanitair, sommigen hadden lijken moeten opruimen. Het paste niet bij wat ze als welvarende jongens in Nederland verwachtten van dat kalifaat, en ze kwamen gedesillusioneerd terug. En daar vertelden ze dan weer over aan de rest.”
Lees ook
De radicaliseringsambtenaar die zélf werd verdacht
De mens is vrij om te denken wat hij denkt
Volgens de DJI-programmamanager is deradicalisering niet per se het doel. „De nadruk ligt vooral op afstand nemen van geweld en gewelddadige netwerken.” Deradicalisering gaat over de gedachtewereld, en aan gedachten kun je niet altijd iets veranderen, zegt hij. „We zijn blij als iemand die afstand neemt, ook als diegene dan nog wel bepaalde sympathieën of radicale gedachten heeft.” De DJI-psycholoog zegt hetzelfde: „De mens is vrij om te denken wat hij denkt, ons doel is om de overgang naar geweld te voorkomen.”
Voor iedere gedetineerde op de terrorismeafdeling wordt een ‘re-integratieplan’ gemaakt met bijvoorbeeld de reclassering en de gemeente waar iemand na vrijlating weer gaat wonen. Daar kan bij horen dat een gedetineerde praat met een expert in jihadistische radicalisering voor „reflectie op iemands overtuigingen”, zegt de DJI-programmamanager. Of dat familieleden van de gedetineerde, terwijl diegene nog vastzit, worden voorbereid op de vrijlating. „Als ze na vrijlating bij hun vader, moeder of broer gaan wonen, moet diegene worden beoordeeld en begeleid. Familieleden kunnen een sterke positieve of een negatieve invloed hebben.”
Nederland heeft sinds 2006 aparte terrorismeafdelingen, waar alle terrorismeverdachten en -veroordeelden bij elkaar zitten. Andere Europese landen hebben dat anders georganiseerd: er zijn wel specialistische afdelingen, maar daar kom je niet automatisch terecht als je veroordeeld wordt voor terrorisme. Gaby Thijssen zegt dat aparte terrorismeafdelingen een „politieke keuze” zijn. „Je zet mensen die boos zijn bij elkaar, dat zorgt voor spanningen. Bovendien krijg je TA-veteranen, die bovenaan in de hiërarchie van geradicaliseerden staan en anderen inspireren, omdat ze dáár hebben gezeten. Zo van: Allahs sterkste soldaten dragen de zwaarste lasten.”
De DJI-programmamanager ziet „voor- en nadelen” van speciale afdelingen voor terroristen. Het voorkomt dat ze contact hebben met reguliere gedetineerden en hen kunnen beïnvloeden, maar het kan voor „groepsdruk” zorgen, die het moeilijker maakt om afstand te doen van extreem gedachtengoed. Door gedetineerden „gericht” te plaatsen in kleine groepjes, probeert DJI „een optimum te bereiken ten aanzien van negatieve beïnvloeding”, zegt hij. Iemand die vooral online IS-propaganda heeft verspreid, zet je niet bij een ervaren aanslagpleger.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/29140524/300726VER_2035507673_terreur2.jpg)
De auto die inreed op een menigte op de Pride in Berlijn op zaterdag.
Foto Annegret Hilse/ REUTERS9 procent
Of het deradicaliseringsbeleid in Nederlandse gevangenissen werkt, is bijna niet te meten, zegt Thijssen – je kunt geen controlegroep opzetten, die je níet behandelt. „We weten dat er weinig recidive is”, zegt Thijssen. Van de 82 gedetineerden die zij analyseerde, werden er vier opnieuw opgepakt voor terrorisme. „Maar dat heeft ook te maken met lange gevangenisstraffen voor terrorisme. Mensen die vastzitten, krijgen de kans niet zomaar om nog een keer de fout in te gaan.”
Bovendien is deradicalisering subtieler, denkt ze. „Een gedetineerde wilde niet dat er op de televisie muziekzenders aanstonden waarop schaars geklede vrouwen te zien waren, maar zette die later tóch aan in zijn cel. Sommige mannen die geen winegums wilden eten omdat er gelatine in zit, snoepten na een tijdje toch mee. En in telefoongesprekken met hun vrouwen, die we uitluisterden, hoorden we dat ze langzaam maar zeker minder controlerend werden. Dan mocht hun vrouw tóch rijlessen gaan volgen bij een mannelijke instructeur”, zegt Thijssen. Of het helpt, weet je dan nog altijd niet – Thijssen: „Als zijn vrouw een rijbewijs gaat halen, betekent dat dat hij nooit meer een bom zal laten ontploffen?” – maar de verandering in gedrag was merkbaar.
Sommige risico’s kun je niet helemaal wegnemen. Zo’n 9 procent van de mensen in Gaby Thijssens onderzoek was „echt heel gevaarlijk” – ongeveer tien mensen, die allemaal al eens geweld hadden gebruikt. Van hen heeft een groepje levenslange gevangenisstraffen gekregen, zoals de Utrechtse tramschutter Gökmen T., maar een paar kregen kortere straffen en kwamen dus ook al vrij. „Als een van hen de kans krijgt, is het risico heel hoog dat ze iemand doodmaken,” zegt ze. „Gelukkig hebben we in Nederland goede veiligheidsdiensten, die die vrijgelaten gedetineerden in de gaten houden.”
Bij die groep worden „veiligheidsmaatregelen” genomen, zegt de DJI-programmamanager. „Dan krijgen ze bijvoorbeeld gebiedsverboden, enkelbanden, een meldplicht. Als iemand zich daar niet aan houdt, wordt ‘ie teruggestuurd naar de gevangenis.”
Voor die groep met een „hoog risicoprofiel” werd in detentie nooit echt een oplossing gevonden, zegt Thijssen. „Die 9 procent moet je goed beveiligen en niet zomaar mee laten doen met een Sinterklaasfeest, dat wordt gevaarlijk.”
Lees ook
Een bekeerde halve nazi? Wie uit extreem-rechtse kringen wil stappen, heeft het moeilijk


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/24122739/300726OPI_2035458400_WEB_FI_ILLU_Economist_Capitalism_Brett-Ryder.jpg)
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/bvhw/wp-content/blogs.dir/114/files/2019/07/roosmalen-marcel-van-online-homepage.png)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/29132342/290726SPO_2035562173_1.jpg)

/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/27195043/270726VER_2035522298_Bonnafont.jpg)



/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/24104234/280726OPI_2035457971_burnham.jpg)

English (US) ·