„Ach, het is geen wedstrijd.” Het is typisch zo’n zinnetje dat je vaak gebruikt als je kinderen aan het opvoeden bent, maar nu – half maart op het Haagse Malieveld – hoor ik het mezelf ineens zeggen tussen volwassenen. We staan wat te springen en te rekken, in sportkleding, samengedromd tussen de dranghekken van ‘startwave 3’ van de 10 kilometer City-Pier-City-Loop. Dit is het vak voor de kalme recreanten. Een podiumplek ligt niet meteen voor de hand. Niettemin frunnikt iedereen aan een sporthorloge. Overal gaat het over de tijden die we willen ‘neerzetten’.
‘Onder het uur’, zo luidt mijn bescheiden ambitie. Op mijn prikbord hing een heus trainingsschema waarop ik bij het uithijgen steeds mijn tijd in een vakje had gekrabbeld. En hier sta ik dan, aan de start van mijn eerste hardloopwedstrijd, te vertellen dat het geen wedstrijd is.
De eerste kilometer na het startschot mijmer ik er over door. Iedereen weet dat we dat zinnetje alleen uitspreken bij wat we juist wél beleven als wedstrijd, maar waarvan we zouden willen dat het minder competitief was. Middelbare schooladviezen bijvoorbeeld. Welnee, vmbo is alleen maar ánders dan havo/vwo. Iedereen weet wel beter. Het zinnetje is geen geruststelling maar een verzuchting. Wás de wereld maar wat minder competitief! Opleidingen, arbeidsmarkt, huizen, partners, een gelukkig gezinsleven, verre reizen, vakanties, artistiek succes. En ook de sociale media, waarop we elkaar hiermee de ogen uitsteken, zijn absoluut géén wedstrijd.
In onze onophoudelijk wedijverende arena is het onvermijdelijk dat afgunst is uitgegroeid tot een van „de grote emoties van onze tijd”, zoals de Frans-Israëlische socioloog Eva Illouz het noemt. Want binnen die rivaliserende samenleving zijn emoties ook nog eens de boventoon gaan voeren. Woede, angst, nostalgie enzovoort. In haar boek uit 2024 hierover, onlangs vertaald als Explosieve moderniteit, krijgt de afgunst een stevig hoofdstuk toebedeeld. Illouz noemt haar „de onzichtbare motor” van onze economie. De consumptiecultuur motiveert mensen immers „om spaargeld te verruilen” voor artikelen waarmee ze mensen „hoger op de maatschappelijke ladder” kunnen „imiteren”.
Illustratie Dide RoetenKies je hazen zorgvuldig
Intussen word ik links en rechts ingehaald, maar vanaf kilometer twee begin ik zelf ook steeds meer renners voorbij te lopen. Mijn fanatisme verrast me. Goed, degenen die duidelijk sneller zijn dan ik laat ik gaan, maar als ik ze maar enigszins kan bijbenen dan móét dat ook, en is het een stille triomf als ik ze passeer.
Kies je hazen zorgvuldig. Dat heb ik op een hardloopforum gelezen. Een haas is een helper die ongeveer in jouw beoogde tempo loopt. Af en toe kies ik een rug uit om achter te hangen, en intussen denk ik na over de hazen in mijn leven.
Waarschijnlijk komt het ook doordat er een snelle partita van Bach op mijn oortjes speelt, dat ik aan Brian moet denken. Hij is de eerste op wie ik jaloers was, of met wie ik een rivaliteit ervaarde die soms naar afgunst doorsloeg.
We waren acht. Hij speelde piano. Dat wilde ik óók! Een loepzuivere zelos, zoals dat bij Aristoteles heet: je ziet iets bij een ander en denkt: dat wil ik óók! Hiertegenover plaatst hij het meer kwaadwillende phthonos: je wilt dat de ander iets níét heeft.
Dat onderscheid klinkt nuttig, alleen klopt het niet met de ervaring. Is er iemand bij wie zo’n steek zich zo keurig gescheiden aandient? In mijn beleving is het toch altijd een venijnige cocktail waarin het zoet onmogelijk is te splitsen van het zuur.
Er kwam een piano in huis, ik kreeg les bij dezelfde leraar. We waren na elkaar ingeroosterd, hoorden vaak elkaars vorderingen. Zodra Brian verder kwam in een moeilijke Beethoven-sonate stak dat, en andersom ook. Wát? Kan hij dat laatste deel uit de Appassionata wél zo snel? Ik wil dat hij het niet kan, en ik wil het zelf kunnen. Zelos, phthonos? Aristoteles mag het weten. Wat wel gebeurde: we werden allebei nog ijveriger, en kwamen vooruit. Hoe genant ook, ik merk dat ik zo’n rivaliteit in allerlei levensfasen nodig heb gehad.
Gezonde competitie, maar het sloeg soms door. In groep acht was het Brian die het advies kreeg om zeker ook eens bij de speciale vooropleiding van het conservatorium te gaan kijken. Niet ik. Mijn pianohaas was me al honderden meters voorbij gesprint.
Jalousie de métier
Afgunst is een ongemakkelijke emotie. Ze behoort tot onze biologische basisuitrusting, en toch dien je haar diep weg te stoppen. Het is een van de zeven hoofdzonden. En waar die andere zes nog iets lekkers hebben – lust, vraatzucht, hoogmoed, luiheid, woede, hebzucht – bezorgt deze je alleen maar zelfkwelling.
De laatste tijd is het slechte imago van dat ‘groenogige monster’ (zoals Shakespeare het noemt in Othello) wel wat aan het kantelen. In het pas verschenen boek Afgunst, de schaduw van de ander van de Vlaamse criminoloog en filosoof Guido Cuyvers, las ik hoe denkers en psychologen door de eeuwen heen ernaar keken, en ook Cuyvers sluit zich aan bij een meer positief perspectief: „Afgunst is niet alleen negatief.” Nee, het kan „ons inspireren”, en „de drijvende kracht zijn achter persoonlijke groei en ambitie”.
Aan die les had ik destijds vast wat gehad. Maar welke verborgen ambitie onthulde mijn afgunst in dat geval? Wilde ik naar het conservatorium? Nee. Misschien was het dit: ergens in uitblinken, en dat dat werd gezien.
Dat is een constante als ik denk aan mijn latere hazen. In mijn studententijd prikten ze de lijsten met tentamenuitslagen nog op de muur. Vaak stond ik daar schouder aan schouder naar te turen met een jaargenoot, ene Pjotr. De stille rivaliteit duurde tot op de dag van het afstuderen, waar het na mijn buluitreiking klonk: „Goed, dat was bíjna cum laude, maar we hebben ook een échte cum laude…”
Onder schrijvers is jalousie de métier een verzwegen constante. Toen ik twintig jaar geleden debuteerde had ik iets dergelijks met een Leidse stads- en cafégenoot, ene Ilja, en het moge duidelijk zijn wie van ons de cum-laude-bul binnenhaalde.
Ik heb nooit met scheve ogen gekeken naar de verkoopcijfers van Herman Koch of Connie Palmen. Zij spelen in een andere league
Sinds zijn bestsellerstatus met Grand Hotel Europa (2017) heb ik talloze collega’s met scheve ogen naar hem zien kijken, doorgaans gemaskeerd als ‘totaal overschat!’, ‘stelde niks voor!’ Afgunst doet zich vooral voor onder vakgenoten, en daarbinnen dan weer onder degenen die zich verwant voelen. Ik heb nooit met scheve ogen gekeken naar de verkoopcijfers van Herman Koch of Connie Palmen. Zij verschillen te veel van mij, spelen in een andere league. Maar iemand uit ongeveer hetzelfde academische milieu, van ongeveer dezelfde generatie, bij dezelfde uitgever… Tsja, daarvoor geldt de harde paradox: we neigen juist naar diegenen met wie we ons later het pijnlijkst gaan vergelijken.
Over en weer overigens. Ik herinner me een gesprekje, met terugwerkende kracht aandoenlijk, waarin Ilja vroeg: „Hoeveel heb je nu verkocht, van dat eerste boek? Werkelijk? Dat is meer dan al mijn boeken bij elkaar. Al zegt dat natuurlijk nog niets over de onmiskenbaar superieure kwaliteit van jouw werk.”
Afgunst is scherper dan ambitie. Het kan lastig zijn om helder te krijgen wat nu eigenlijk je diepste streven is, totdat iemand naast je het bereikt. Dan slaat de afgunst in, met de wrede zorgvuldigheid van een precisiebom.
Wat wil ik ‘nu eigenlijk’? Hoge verkoopcijfers? Geld? Veel gelezen worden? Hier is het zelfhulpachtige advies van Cuyvers best waardevol. Als ik mijn afgunst helemaal uitgraaf, stuit ik uiteindelijk op één woord: autonomie. Ik bewonder het trefzekere aplomb waarmee sommige gevierde collega’s zich opstellen. Het compromisloos zelfvertrouwen, waar ik zelf juist voortdurend twijfel. (Ook nu: moet ik dit allemaal wel schrijven? Maak ik mezelf niet belachelijk?)
Toch is er ook iets wat me tegenstaat aan deze methode, die heel eigentijds is: wat negatief is moeten we meteen herkaderen, omdenken, leren zien als ‘kans’ en ‘uitdaging’. Tem het groenogige monster en zet het in als nuttig lastdier. Maar wat als je al dat ongemak juist wat langer laat knagen?
Illustratie Dide RoetenDe verkeerde wedstrijd
Rond kilometer zeven slaat de vermoeidheid toe. Maar langs de kant – we zijn ergens in Scheveningen – bonkt een oppeppende rap uit de speaker die de barokmuziek in mijn open-ear-oortjes vermorzelt. Even ben ik weer terug bij Brian op school.
Een voorval. Groep zes of zeven. We zitten, met de halve klas, na schooltijd op tafeltjes in de aula naast de piano waarop Brian speelt. Geen Beethoven-sonate of Chopin-nocturne uit onze pianolessen, maar een popnummer dat hoog in de top-40 staat. Een slome ballad, van het soort waarvan concertpubliek spontaan met aanstekervlammetjes gaat zwaaien.
Ik zit uiterst links, het dichtst bij de piano, en merk dat de anderen beginnen mee te deinen. Straks gaan ze nog klappen op elke eerste tel van de maat, denk ik, en precies dan gebeurt dat ook. Stijf bijt ik mijn kaken op elkaar. Nog aandachtiger tuur ik naar Brians vingers, alsof mij is opgedragen een goocheltruc te ontrafelen. Ritmisch bonkt de schouder rechts van mij tegen de mijne. Ik negeer het, en span mijn beenspieren aan. Dan voel ik een stomp. Hij komt van twee plekken verderop. Een van de jongens gebaart met opgeheven handen: wat ís dit? En ik, met tintelende wangen, staar terug naar die vingers die over de toetsen dansen. Ook Brian swingt op zijn krukje. Waarom speelt hij geen Beethoven? Waarom laat hij mij zo in de steek?
Prachtig leermomentje, knul. Wat jij eigenlijk wilde was niet virtuoos zijn, maar anderen vreugde bezorgen met je muziek, verbinden, ze in beweging krijgen. Dáns dan toch! En dat is vast allemaal wel waar, maar ook weer niet. De ervaring was veel interessanter dan dat. Ik leerde dat de regels die ik nastreefde – klassiek en virtuoos – onder klasgenoten niet bestonden. Alsof ik in de verkeerde wedstrijd was beland. Ik dacht dat ik kwam tennissen, maar stond ineens tussen de doellijnen.
Dat wil niet zeggen dat ik per se ook drie-akkoorden-deuntjes wilde beheersen. Ik wilde dat die minder waard waren, dat de maatstaf verschoof. En ik merkte dat de buitenwereld daar anders over dacht. Tegelijkertijd begon het te dagen dat ze daar best eens gelijk in konden hebben. Kortom, een behoorlijk rijke, complexe ervaring, die je niet meteen plat hoeft te slaan, door de angel eruit te trekken.
Even ben jij niet langer de hoofdpersoon maar een bijfiguur. Plots struin je als figurant door het jubelshot van de sterspeler
Dat stompje tegen mijn arm heb ik later vaker gevoeld. Misschien is dat wat er vaak gebeurt bij afgunst in al die varianten en nuances (jaloezie, kinnesinne, benijden, misgunnen): de wereld maakt slagzij. Even ben jij niet langer de hoofdpersoon maar een bijfiguur. Vaak nog minder. Plots struin je als figurant door het jubelshot van de sterspeler. Het verhaal dat je over jezelf vertelde is afgebrokkeld.
Als je dat onbehagen meteen opvat als ‘een les’, maak je jezelf opnieuw tot de hoofdpersoon. Je vervangt het afgedankte verhaal meteen door een vers script, waarin jij opnieuw degene bent om wie het allemaal draait, degene die een obstakel overwint, geïnspireerd het pad vervolgt naar persoonlijke groei, en daarin uiteindelijk heroïsch zal triomferen.
Doe je dat niet, dan ben je eventjes verhaalloos, en zie je misschien pijnlijk helder in hoe relatief die verhalen altijd zijn. Een spel waar de lijnen zijn uitgewist. Dat relativeert en zorgt ervoor dat je competities kunt zien zoals bijvoorbeeld deze hardloopwedstrijd. Je kiest je hazen, maar weet ook wel hoe betrekkelijk dat competitieve is.
Toen ik zelf ooit een prijs won, stak een medegenomineerde zijn hand uit. Afgemeten: „Gefeliciteerd.” En daarna, met een brede lach: „Maar ik meen er geen zak van!” Prachtig. Veel mooier dan al die obligate sportieve verliezers. Hier werd de afgunst erkend en, samen met het hele literaire prijzencircus, in één beweging gerelativeerd.
De finishlijn komt in zicht en ik versnel, ook al is het geen wedstrijd. Later blijk je op de website de foto’s van de deelnemers onderweg te kunnen bekijken. Veel van mijn vrienden en bekenden liepen op bijna elke foto op hun sporthorloges te kijken; de camera’s stonden waarschijnlijk bij de kilometerpunten. Alleen één bevriend stel stond op iedere foto hand in hand, armen in de lucht, blij lachend.
Het was jaloersmakend, hoezeer het voor hen géén wedstrijd leek te zijn.


/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/17135956/170426ECO_2032977617_SpoonyExtra.jpg)
:format(jpeg):fill(f8f8f8,true)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2019/10/youp5bij3.png)
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/17135758/180426WEE_2033035668_energie2.jpg)





/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/04/14170317/140426DEN_2032832432_EersteKamer1.jpg)

English (US) ·