Een inkijkje in het huishouden van Jan Steen én zijn veelzijdigheid

2 uren geleden 1

Het is verleidelijk om de uitdrukking ‘leven in de brouwerij’ te relateren aan de Hollandse schilder Jan Steen (1626-1679). Hij is immers geboren als zoon van een Leidse bierbrouwer, zou later zelf werken als brouwer en kroegbaas en veel van zijn schilderijen kenmerken zich door een energieke vrolijkheid waarbij gezang en muziek, drank en tabak een vaste rol spelen. In combinatie met de titel ‘Thuis bij Jan Steen’ vormt de verwijzing naar het brouwersvak de naam van de expositie ter gelegenheid van het vierhonderdste geboortejaar van de schilder in Museum De Lakenhal. De suggestie wordt erdoor gewekt dat we er iets te zien krijgen van het persoonlijke leven van Steen en de manier waarop zich dat weerspiegelt in zijn werk.

Er lijkt ook wel iets voor te zeggen: zo vertoont de forse, langgelokte man met een grote neus in een vlezig gezicht die regelmatig in zijn schilderijen figureert een opvallende gelijkenis met een zelfportret van de schilder. Ook zijn vrouw en kinderen poseerden regelmatig voor goedlachse figuren in rommelige interieurs die zelf weer aan de basis staan van de spreekwoordelijke notie van het ‘huishouden van Jan Steen’. En schreef de 18de-eeuwse kunstenaarsbiograaf Arnold Houbraken niet over Steen dat „zijn schilderijen zijn als zijn levenswijze, en zijn levenswijze als zijn schilderijen”?

De expositie toont een kleine dertig schilderijen van de hand van Jan Steen zelf plus een aantal werken van tijdgenoten, hoofdzakelijk uit de eigen verzameling en andere Nederlandse openbare collecties. Bekende werken uit het Rijksmuseum trekken de aandacht, zoals het Bakkersechtpaar (1658), waarin een man met stoer openvallend wit hemd en zijn juist keurig in het zwart geklede vrouw staande voor hun Leidse bakkerij verse broden en krakelingen presenteren, en het Vrolijke huisgezin (1668) met een wanordelijke familie rond de eettafel, met zingende en drinkende volwassenen die de kinderen duidelijk het slechte voorbeeld van liederlijk gedrag geven.

Virtuoos geschilderde witte jurk

Verrassender zijn enkele bruiklenen uit particuliere verzamelingen, die zelden aan het grote publiek worden getoond. Een vroeg werk van de schilder is een niet zo lang geleden herontdekt dorpsgezicht met dansende boeren (Meidans, 1648), terwijl juist uit zijn laatste jaren een toneelachtig tafereel dateert dat met veel figuren tegen de achtergrond van een exotische architectuur een bruiloftsfeest voorstelt (Het Spaanse bruidje, 1670-1679). Na afloop van de tentoonstelling blijft het schilderij als langdurig bruikleen in de Lakenhal te zien. Een portret (rond 1673) stelt Steens tweede echtgenote Maria van Egmond voor. Geamuseerd glimlachend en gekleed in een virtuoos geschilderde witte jurk, poseert ze in de rol van de oudtestamentische figuur Bathseba.

Hoe bescheiden deze greep uit Jan Steens honderden schilderijen ook is, toch geeft die een mooi beeld van zijn artistieke veelzijdigheid. Een van zijn vroegste werken is bijvoorbeeld een boslandschapje in de stijl van Jan van Goyen. Van geleerde ambitie getuigen grotere schilderijen gebaseerd op verhalen uit de Bijbel of de klassieke mythologie, waarin de kunstenaar ook zijn uitstekende beheersing laat zien van de techniek van het precies weergeven van de stoffen van mantels en jurken.

Van de persoonlijke leefwereld van Jan Steen die de expositie beoogt te illustreren, verraden zulke schilderijen in feite maar weinig. Hoogstens, en dan nog indirect, verwijst het landschap naar het huwelijk dat Steen rond die tijd aanging met Van Goyens dochter Grietje. Zijn soms, maar lang niet altijd, delicate schildertechniek past in de traditie van Leidse fijnschilders als Steens stadgenoten Gerard Dou en Gabriël Metsu. En het uitbeelden van literaire thema’s kan verband houden met de opleiding van de jonge Jan Steen aan de Latijnse school en misschien ook zijn latere inschrijving bij de Leidse universiteit, voor zover die niet ten doel had om accijnzen en andere verplichtingen te ontlopen. Maar in hoeverre schilders in die tijd hun onderwerpen werkelijk zelf kozen, blijft in de expositie en bijbehorende publicatie in het midden.

De kluchtige taferelen waarmee de schilder vooral bekend is geworden, stellen in elk geval niet zijn eigen huishouden voor. Wel zit er onmiskenbare zelfspot in de manier waarop Jan Steen zijn eigen beeltenis opvoert. Nu eens zit hij er prominent en breed lachend bij, dan weer staat hij blazend op een doedelzak terzijde, of poseert hij ietwat onnozel met een koddig mutsje scheef op het verder serieuze hoofd.

Lees het hele artikel